Fotografie van glimmende objecten
Fotografie van glimmende objecten - 5
Belichting - Elk hedendaags fototoestel is uitgerust met een automatische belichtingsmeter.
Deze meet hoe veel licht er door het te fotograferen tafereel wordt teruggekaatst,
en bepaalt aan de hand van de gevoeligheid van het materiaal waarmee het
beeld wordt vastgelegd (lichtgevoelige electronica of film) een geschikte
combinatie van diafragma en sluitertijd.
Hoe nauwer het diafragma (de lensopening),
hoe groter de scherptediepte, d.w.z. hoe groter het gedeelte van het beeld
dat van voor tot achterin scherp zal worden weergegeven. Als men de lensopening
1 stop kleiner maakt (bijv. van f 5,6 naar f 8; f staat voor focus, hoe hoger
de waarde, des te kleiner de lensopening), dan wordt de hoeveelheid doorgelaten
licht gehalveerd. Het verlies aan lichtopbrengst door een klein diafragma moet
worden gecompenseerd door een langere sluitertijd.
Hoe langer de belichtingstijd (en hoe langer de brandpuntsafstand van de lens, of hoe kleiner de afstand tussen object en lens bij het werken met een macro objectief), hoe moeilijker het is te voorkomen
dat onscherpte optreedt door bewegen van de camera, bijv. door het indrukken
van de sluiter; kies dus voor een kortere sluitertijd. Afgezien van 'antishake' in de camera (Konica-Minolta) of beeldstabilisatie in de lens, kan door werken vanaf een stevig
statief, en bovendien met een draadontspanner of zelfontspanner,
de kans op bewegingsonscherpte sterk worden verkleind. Men dient dus bij voorkeur zodanig te
verlichten, dat de foto kan worden opgenomen met een korte sluitertijd en een
diafragma waarbij het hoofdonderwerp scherp wordt weergegeven.
Er zijn een paar typische gevallen waarbij een belichtingsautomaat
een handje moet worden geholpen. Dat is bij zeer lichte ('high key')en zeer donkere ('low key') onderwerpen.
Denk bij een licht onderwerp bijv. aan zilver op een witte ondergrond of een
geëmailleerd stuk met vrijwel uitsluitend lichte kleuren, bij een donker
onderwerp bijv. aan een stuk met overwegend donker gekleurd emaille of een
zilveren ring op een zwarte ondergrond. In het eerste geval wordt alle wit als grijs weergegeven (onderbelicht), in het tweede geval worden alle donkere tonen te licht weergegeven (overbelicht); in beide gevallen ontstaat bij gebruik
van automatische belichting een grauw beeld. Voor een goed begrip waarom de
automatische belichting in deze situaties faalt, zodat men weet hoe men moet
ingrijpen voor een optimaal resultaat, het volgende.
De belichtingsautomatiek is ontworpen om goed te functioneren bij het gemiddelde
kiekje, waarbij de gemiddelde lichtomvang naar een gemiddelde toon/kleur wordt omgezet. In zo’n doorsnee foto van bijv. een groep mensen, straatgezicht,
e.d. varieert de hoeveelheid gereflecteerd licht sterk van de grootste helderheid
tot de donkerste schaduw of kleur. Deze lichtomvang moet zo goed mogelijk op
het lichtgevoelige materiaal worden weergegeven. De meeste films en CCDs kunnen een bereik van +2½ en -2½ diafragmastop om het gemiddelde aan. Niet zelden is in de praktijk het totale bereik in lichthelderheden groter dan deze 5 f-stops; in zo'n geval valt een deel van de lichte en donkere partijen buiten het bereik en worden als zuiver wit resp. diep zwart weergegeven. Het is dus belangrijk de gemiddelde lichtintensiteit goed te plaatsen binnen het beschikbare bereik; als dit niet goed gebeurt zijn alle kleuren te licht of juist allemaal te donker.
Om goed te begrijpen hoe 'moeilijke' belichtingssituaties - zoals die hieronder beschreven worden - met betrekkelijk weinig moeite op te lossen, moet de fotograaf eigenlijk goed vertrouwd zijn met belichting volgens het zonesysteem. Deze is oorspronkelijk door Ansel Adams tot in de perfectie uitgewerkt voor zwart-wit fotografie. Het principe van het zonesysteem is heel snel te begrijpen. Het komt er in het kort op neer dat de helderste en de donkerste delen waarin nog tekening moet worden gezien met de belichtingsmeter (spotmeter) in kaart worden gebracht, en te beoordelen of het verschil 5 f-stops bedraagt. Als we de verlichting in de hand hebben geeft de uitslag aan hoe we deze eventueel moeten veranderen. Bepaal vervolgens de meteruitslag voor wat een gemiddelde waarde moet zijn, en alle andere helderheden vallen vanzelf op hun plaats. Voorkom vooral dat de heldere delen die nog detaillering moeten laten zien worden overbelicht. Een korte en zeer heldere uiteenzetting van het zonesysteem van Ansel Adams is te vinden op de webstek van Norman Koren, die bovendien nog uitlegt hoe dit te gebruiken bij de kleurenfotografie.
Hier twee voorbeelden. Het eerste is een 'high key' onderwerp: a glazen fles gevuld met wit emaillepoeder, met witte achter- en ondergrond. Op grond van de aanwijzing van de belichtingsmeter zal dit zeer lichte onderwerp als een gemiddeld grijs worden weergegeven, d.w.z. het wordt onderbelicht. We moeten dus het toonbereik naar een hoger niveau verschuiven. Vanaf een gemiddelde tot de hoogst helderheid die kan worden weergegeven is 2½ f-stop. Houden we dezelfde belichtingstijd aan en openen we het diafragma met 2 f-stops, dan is er weinig kans op overbelichting van de helderste partijen. Maar openen van het diafragma betekent minder scherptediepte. Om deze te behouden moeten we de sluitertijd dus 4 maal zo lang maken, een verdubbeling voor elke f-stop.
Het tweede voorbeeld is een 'low key' onderwerp: een zeer donkerbruin houten beeldje tegen een zwarte achtergrond. Het hele tafereel zal - als we automatisch belichten - met een gemiddelde donkerwaarde worden weergegeven en dus worden overbelicht. We moeten dus nu het toonbereik naar een lager niveau verschuiven. Daarbij willen we nog wel doortekening in het donkere beeldje kunnen blijven zien. Het lijkt een veilige keus om het onderwerp 2 f-stops minder te geven. Bij dezelfde diafragma-opening betekent dit dat we de door de meter aangegeven belichtingstijd met een factor 4 moeten verkorten, 2 maal voor elke f-stop.
| De grafiekjes tonen hoe sterk de lichtste tot de donkerste tonen vertegenwoordigd zijn. Links = zwart, rechts = puur wit. Hoe hoger de peak, hoe groter het deel van de afbeelding waarin deze toon voorkomt. De grafieken illustreren het effect van verschuiven van het toonbereik. | ||
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
| Flesje met wit emaillepoeder op witte onder- en achtergrond. Automatische belichting met diafragmavoorkeuze leidde tot 0,1 s belichting bij f 10. Sterk onderbelicht. |
De belichtingstijd is verlengd overeenkomend met 1,3x grotere f-stop. Bij f 10 werd nu 0,25 s belicht. |
De belichtingstijd is verlengd overeenkomend met 2x grotere f-stop. Bij f 10 werd nu 0,4 s belicht. |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
| Donkerbruin beeldje tegen een zwarte achtergrond. Automatische belichting met diafragmavoorkeuze leidde tot 1,3 s belichting bij f 10. Sterk overbelicht. |
Automatisch belichting bijgesteld met een correctie van -1 f-stop (het effect is dat een gevoeligheid van bijv. 100 ASA nu wordt veranderd naar 200 ASA). Belichtingstijd 0,5 s, f 10. Nog steeds overbelicht. |
Automatisch belichting bijgesteld met een correctie van -1 f-stop (het effect is dat een gevoeligheid van bijv. 100 ASA nu wordt veranderd naar 400 ASA). Belichtingstijd 0,25 s, f 10. Goed belicht. |
Het vergt enige ervaring om in te schatten hoeveel
verlenging of verkorting van de belichting noodzakelijk is. Meet in een twijfelgeval met de spotmeter wat volgens u een gemiddelde helderheid is en gebruik de door de meter aangegeven waarde. Maak evt. meerdere
foto’s waarbij
het diafragma of de belichtingstijd worden gevarieerd, daar zit dan wel een
goede tussen. Veel camera's maken het mogelijk over te gaan op 'bracketing', waarbij automatisch enkele opnamen met wisselende belichtingstijd worden gemaakt. Soms is het een oplossing gebruik te maken van een ‘gemiddeld’ grijskaart;
dit is een kaart met 18% zwart, die door betere fotowinkels wordt verkocht.
Zet deze kaart rechtop op de plaats van of voor het te fotograferen object, gericht halfweg tussen camera en de hoofdverlichtingsbron, meet met
het toestel vlak er voor zodat het beeldveld gevuld wordt zonder dat
toestel of uzelf daar een schaduw op werpen (of met een spotmeter in
het toestel) de belichting voor dit grijze vlak, en houd deze meteruitslag
aan voor de definitieve opname. Vertrouw niet blindelings op een grijskaart, hij is vooral geschikt voor werk binnenshuis.
Belicht in het algemeen op de 'hoge lichten', en wel hierom. Laten we aannemen dat een digitale camera een donker-licht bereik kan weergeven dat overeenkomt met 5 f-stops; we gaan er ook van uit dat er een 8 bit beeld ontstaat. De CCD telt het aantal fotonen dat het oppervlak treft, zodat er een rechtlijnig verband bestaat tussen het signaal dat wordt gegenereerd en het aantal fotonen ('de hoeveelheid licht'). Alle informatie is nu vervat in 28 verschillende toestanden of gradaties. Van de grootste gebruikte lensopening tot 1 stop lager wordt de hoeveelheid licht die op de CCD valt gehalveerd. Deze ene stap in verkleining van de f-stop neemt dus de helft van de beschikbare gradaties voor zijn rekening, d.w.z. 128. De volgende verkleining van de f-stop neemt de helft van de overblijvende 'ruimte' voor zijn rekening, d.w.z. 64 gradaties. De derde stap neemt 32, de vierde stap 16 voor zijn rekening, de laatste stap wordt vertegenwoordigd door nog maar 8 gradaties. De donkerste delen van een beeld worden dus slecht vertegenwoordigd, het grootste deel van de informatie in een digitaal beeld wordt zit in de lichtste tonen. Om dus zoveel mogelijk informatie in de donkere delen te behouden moet, als we niet met een 'low key' beeld te maken hebben, de ruimte beschikbaar voor de helderste tonen zo goed mogelijk worden gebruikt. Alleen moet worden voorkomen dat de 'hoge lichten' worden overbelicht, want daarin kan nooit meer detaillering door nabewerking worden gered. Gebruik daarom het histogram dat de camera toont als u het beeld op een beeldschermpje bekijkt, en pas de belichting zo nodig aan. Vergroot op het beeldschermpje relevante delen van het beeld om er zeker van te zijn dat de hoge lichten nog voldoende detaillering vertonen. In twijfelgevallen maak je een belichtingsreeks ('bracketing').
![]() |
| Top: incident light measurement, the opalescent diffuser in front of the meter opening. Below: measurement of reflected light, the diffuser is pushed away from the meter opening. |
![]() |
| Boven: meting van het opvallende licht, het opalescente diffusorschijfje zit voor de meetopening. Onder: meting van het gereflecteerde licht, het opalscente schijfje is van de meetopening weggeschoven. |
Gereflecteerd en opvallend licht - De belichtingsmeter meet de hoeveelheid gereflecteerd licht. Stel dat we verlichting hebben opgesteld en deze gebruiken voor zowel een zeer licht als een zeer donker onderwerp. Het donkere onderwerp absorbeert veel en reflecteert dus weinig licht, het lichte onderwerp weerkaatst het grootste deel van het licht. De belichtingsmeter in het fototoestel geeft in deze twee situaties een totaal verschillende belichtingstijd aan terwijl de hoeveelheid opvallend licht dezelfde is. We zouden uit de brand zijn indien we de hoeveelheid opvallend licht maten. Dat zou in principe kunnen door het fototoestel 180 graden te draaien en dus in de richting van de lichtbron(nen) te meten. In de praktijk moet er voor worden gezorgd dat de belichtingsmeter de gemiddelde hoeveelheid opvallend licht meet; men kan daartoe verreweg het beste gebruik maken van een losse belichtingsmeter met een diffusor; dat laatste is een opalescent schijfje of bolletje dat voor de lichtinlaat van de meter wordt geplaatst en het licht dat op de meter valt verstrooit.
Flitslicht - Vaak zal men
voor verlichting van fotolampen gebruik maken. Men kan ook heel goed flitslicht
gebruiken: zij verspreiden zeer veel wit licht. De regels voor de verlichting zijn dezelfde als met andere lampen.
In de praktijk is het ideaal als men beschikt over enkele studioflitsers. Het
zijn electronische flitsers op een statief die vanuit het fototoestel worden
geactiveerd (evt. via een ‘slaaf’ die een flitssignaal signaleert
en onmiddellijk een flitser ontsteekt). Zo'n flitser is uitgerust met een instellamp
waarmee de verlichting kan worden afgeregeld. Als alles naar tevredenheid is
geregeld worden de studioflitsers los van de camera ontstoken (dus zonder dat
de film wordt belicht) en meet met een flits-belichtingsmeter met een lichtverstrooiingskapje
in de richting van de camera gericht de hoeveelheid opvallend licht. Men moet
vervolgens de belichtingsautomatiek van het fototoestel uitschakelen, overgaan
op handbediening (‘manual’), volgens de gebruiksaanwijzing de sluitersnelheid
instellen die wordt aangeraden bij het gebruik van een niet door de camera
gestuurde flitser en tenslotte de volgens de flitsmeter
gewenste lensopening instellen. Het is ook mogelijk om gebruik te maken van een aantal door de camera gestuurde electronische flitsers, zie bijv.
.













